Afbeelding
Makida Daniels
Makida Daniels

Wat ik oorspronkelijk gepland had op 25 november – een dag van grootse historische betekenis voor Suriname, dat een halve eeuw onafhankelijkheid vierde – ging niet door. Toch mocht die dag niet zonder betekenis voorbijgaan. Daarom besloot ik de documentaire Monikondee te zien.
De film komt uit de koker van het trio Alexander Tolin, Lonnie van Brummelen en Siebren de Haan. Letterlijk vertaald luidt de titel Land van geld of Geldland. Het thema is kapitalisme in het Surinaamse binnenland, aan de Marowijne, het leefgebied van de marrons, nakomelingen van Afrikaanse ex-slaafgemaakten, en de inheemsen–de oorspronkelijke bewoners. We volgen verschillende bewoners met narratieven over goud, de euro en hun perspectief op milieu- en gemeenschapswetten. Volgens de marrons geeft milieugod Ageodensu richtlijnen over eerbied, balans en respect voor de natuur.
Daarnaast is er de Sweli, god van het verbond, waar voormoeder en heldin Ma Kato priester van was. De wetten van de Sweli worden nog steeds nageleefd, wat zichtbaar wordt tijdens een palaver (kuutu), een juridische samenkomst waar rechtspraak wordt gedaan. Van Ageodensu niet zozeer, want de geboden en verboden die hij gaf ter bewaking van reinheid en balans in het oerwoud worden juist geschonden. De film riep in mij een mengeling van trots, onbehagen en melancholie, omdat Monikondee verhaalt hoe de natuur wordt toegeeigend en onderworpen, onder de illusie van maakbaarheid voor kapitaalgewin. Het gevolg is het verlies van harmonie tussen mens en natuur, en lijkt wat ooit heilig was gereduceerd tot grondstof.
Hoe dan ook, met trots en bewondering keek ik naar fiiman paansu – vrij mens – Boogie, die met lenige souplesse zijn boot de woeste sula van de Marowijne opvoer. Hij vertelde dat “De stenen in de rivier” als stopborden zijn. Zonder kennis te hebben van de vaargeul en deze onzichtbare verkeersborden is kapseizen onvermijdelijk. Zijn woorden reiken verder dan de rivier; ze doen denken aan het leven tussen twee culturele identiteiten. Dat vraagt om meedeinen in een rivier van hybriditeit, waar het Surinaamse koloniale verleden en de groeipijnen van de jonge natie elkaar raken. Deze groeipijnen krijgen een tastbare vorm in hoe het kapitalistische wereldbeeld, via goudexploitatie, de leefomgeving van de marrons en inheemsen vervuilt.
Zal Monikondee Suriname wakker schudden, zodat zij beseft dat haar achterland in snel tempo erodeert? Zal zij ter harte nemen het geweeklaag van de oudere inheemse man die jeremieert: “Braziliaan, je draagt al het goud weg” en “Braziliaan, je doet mij pijn?” Zijn woorden verwijzen naar de milieuvervuiling van goudwinning die de biodiversiteit vergiftigt.
Wanneer Boogie, die dienst doet als inkoper en bezorger, enkele gallons mineraalwater brengt voor een klant, zegt de klant met een wijds gebaar naar de rivier: “We zijn omringd met water maar kunnen het niet drinken, onze kinderen krijgen diarree.” Kinderen te drinken geven uit de rivier waar zij wonen is een doodvonnis. Het gif van het kwik dat gebruikt wordt in goudwinning kruipt ondergronds, verspreidt zich in de bodem en ondermijnt de vitaliteit van gewassen als cassave, hun basisvoedsel. Volgens de vrouw was deze “cassaveziekte’’ tot voorheen onbekend. Deze lokale vervuiling weerspiegelt bredere structuren van economische afhankelijkheid die Suriname gevangen houden in koloniale patronen. Wetten en ideeën dienen externe bedrijven en houden zo de sociaal-economische ongelijkheid in stand.
Boogie constateert deze ongelijkheid, maar wijst erop dat vooral de milieu god Ageodeonsu kwaad is, omdat zijn natuurwetten worden vertrapt. Met andere woorden, de verdiensten uit goudwinning zijn uitbuiting van de natuur. Vandaar de desastreuze gevolgen, die op de lange duur enorme financiële uitgaven veroorzaken:ten eerste de medische behandeling van kinderen met darmproblemen;ten tweede drinkwater dat gekocht moet worden; en ten derde mislukte cassave oogsten, is het mislopen van inkomen. Boogie’s rol in deze is van een boodschapper die de grieven van zijn gemeenschap waarneemt en ze vertaalt naar een narratief dat de bredere ongelijkheid zichtbaar maakt.
Advertentie

Wat Boogie’s narratief verder etaleert is de complexe geschiedenis van de Surinaamse marrons, waarin hun heroïsche verzet tegen het Europese kolonialisme tot ver buiten de grenzen reikt, maar in schril contrast staat met hun gemarginaliseerde positie. Wie kennis heeft over de geschiedenis van de marrons weet dat hun epos een groot deel van de Surinaamse identiteit belichaamt. In internationale ruimtes zijn marrons vaak het boegbeeld van de Afro-Surinaamse cultuur, toch moeten zij voortdurend strijden tegen een economische orde waarin goudexploitatie en handel centraal staan. Kleinschalige Braziliaanse delvers vervuilen de rivieren, maar het zijn vooral de grote multinationals die de economische basis vormen en bescherming van de staat genieten.
Daarnaast hebben de Chinezen de rol van ondernemers en handelaren overgenomen, waardoor zij de lokale markt domineren. Zo strijken buitenlandse bedrijven de winsten op, terwijl marrons en inheemsen, ondanks hun handelsgeest, eerder consument blijven. Deze realiteit, geworteld in de eeuwenoude kapitalistische DNA, maakt loskomen van economische afhankelijkheid haast onmogelijk. Ik voelde daarom onbehagen toen Boogie goud als betaalmiddel ontving, omdat zijn handelen blootlegde hoe koloniale patronen, economische marginalisering en milieuschade elkaar kruisen. Deze intersecties maken zichtbaar dat marrons en inheemsen op meerdere fronten tegelijk worden geraakt in hun etnische achtergrond, hun sociale klasse en in hun afhankelijkheid van de natuur. En dus blijven ze meebewegen in een stroom van milieuvervuiling die hen langzaam dreigt te verstikken.
Toch is niet alles verloren. Deze twee volkeren aan de Marowijne behouden met een zekere eer en vastberadenheid hun culturele identiteit, die geëtst is in fundamentele gewoontes die hen langer dan drie eeuwen verbinden – één van die gewoontes is ruilhandel. “Wat kosten de cassavestengels?” vraagt een marronvrouw aan een inheemse man die de stokjes in bundeltjes te koop aanbiedt aan de oever van de rivier. In afwachting op zijn antwoord haalt ze een pak versgebakken kwak uit haar tas. De krokante gele korrels gemaakt van bittere cassave zien er verleidelijk uit, en de hoeveelheid is goed voor twintig maaltijden boordevol antioxidanten. De prijs is in euro’s, maar in ruil voor de kilo’s biologisch goud mag ze de felbegeerde stengels hebben. Tijdens de handelstransactie klinken ze als lotgenoten die steun bij elkaar vinden over de wurgende europrijzen. Wellicht beseffen ze dat praten erover en handeldrijven volgens oude wetten hen tot bondgenoten maakt.
Deze bondgenootschap tussen inheemsen en marrons kan worden gezien als een weerspiegeling van de circulariteit die volgens de milieugod Ageodensu bewaakt moet worden. Hoe graag wens ik dat zij – niet met wapens, maar met gemeenschapskracht – optreden zoals Ganimet en Kaikusi drie eeuwen geleden tegen de kolonisten, maar nu tegen de hedendaagse vormen van kapitalistische exploitatie. Na de overwinning kunnen zij nieuwe en duurzame regels voor hun grondgebied formuleren met in gedachten de geboden en verboden van Ageodensu.
Dan kunnen we pas spreken van een ware Srefidensi.
Monikondee heeft terecht verschillende prijzen gewonnen! Ga het zien!
Makida Daniels is geboren in Suriname en is een schrijfster met een focus op de geschiedenis en het heden van de Surinaamse Marrons. Daarnaast schrijft ze boek en film essays en theater scripts. In 2019 deed ze spoken word poetry getiteld -Mi Afo Cato- Ode aan de Stammoeders en bracht ze haar eerste boek Surinaamse Marrons Vertellingen uit. In 2021 schreef ze het script voor de theatervoorstelling, Ma Cato, Vrouwen in verzet tijdens de marronage. Schrijft en werkt samen met Kula Skoro bij het ontwikkelen van Educatieve schoolprojecten. Makida Daniels is tevens zorgverlener en doet de Bachelor studie Literature and Society aan de VU in Amsterdam.